keizersnede

Mijn bevalling is begonnen! Na een bijzondere dag waarop ik met beginnende weeën een nieuwe stofzuiger kocht, mijn schoonmoeder onverwachts op bezoek kwam terwijl ik boven op bed de weeën lag weg te puffen, en waarop we onderweg naar het geboortecentrum samen de slappe lach kregen over de vermoedelijke geboortedatum van onze dochter (lees mijn vorige blog), komen we rond een uur of vijf ’s middags aan bij het geboortecentrum.

In het geboortecentrum

Aangekomen bij het geboortecentrum haalt mijn vriend een rolstoel. Hoewel ik vooraf gezworen heb dat ik écht niet in een rolstoel ga zitten om “dat kleine stukje van de parkeerplaats naar het geboortecentrum” te lopen, is dat nu totaal geen discussiepunt. Dankbaar ga ik zo snel mogelijk zitten.

We krijgen een kamer toegewezen en terwijl mijn vriend alle spullen uit de auto haalt, installeer ik mijzelf op bed. De dienst van de verloskundige die bij ons thuis kwam zat er op. Haar vervanger zou later op de avond naar het geboortecentrum komen. Tot die tijd moeten we ‘het doen’ met een kraamverpleegkundige van het ziekenhuis. Een lieve vrouw, die zowel mijn vriend als mij geruststelt, en me helpt de weeën weg te puffen.
Om een uur of zeven doet het toch wel érg veel pijn, en ik vraag de kraamhulp om mijn verloskundige te bellen.

De kraamhulp probeert me af te leiden, en stelt voor om in bad te gaan. Ik laat me over halen en enkele minuten later zit ik tot mijn eigen verbazing in bad. Nog zoiets waarvan ik voor mijn bevalling bij hoog en laag volhield dat ik sowieso niet zou doen. Maar goed, nood breekt schijnbaar wet. Het warme water verlicht de pijn. Voor even dan. Een half uur later geef ik opnieuw aan dat ik het erg fijn zou vinden als mijn verloskundige eerder komt. Ik wil NU een ruggenprik!

Goed nieuws en slecht nieuws

Als om kwart over acht dan eindelijk mijn verloskundige komt, klauter ik (met de hulp van mijn vriend, kraamhulp en verloskundige) uit bad en stort ik me weer op bed. De verloskundige breekt mijn vliezen en voelt hoeveel centimeter ontsluiting ik heb.
Ze komt naast me zitten. “Ik heb goed nieuws en ik heb slechts nieuws”, vertelt ze. “Je hebt bijna volledige ontsluiting, dus dat betekent dat je je kindje écht bijna in je armen mag sluiten”. Dat was het goede nieuws. “Maar…” zo gaat ze verder, “de baby heeft in het vruchtwater gepoept. Niet verdrietig worden, maar je moet daarom worden overgedragen aan het ziekenhuis”.

Bijna moet ik lachen. Is dit slecht nieuws? I really don’t care! Over een uur zal ik mijn meisje in mijn armen hebben. Of ze nou geboren wordt in het ziekenhuis of in het geboortecentrum. Het maakt me werkelijk niets uit.

Persen, persen, persen!

Het geboortecentrum is een soort van bijgebouw, dat vast zit aan het ziekenhuis, dus met bed en al word ik doorgereden naar een ziekenhuiskamer. Baby en ik worden aangesloten op diverse monitoren en de verloskundige draagt het over aan een arts uit het ziekenhuis. Er wordt opnieuw gemeten, en ik heb volledige ontsluiting. Yes! Ik mag gaan persen. Omdat het aannemelijk is dat de baby nu echt elk moment gaat komen, besluit de verloskundige bij de bevalling te blijven.

Ik word van alle kanten aangemoedigd en toegejuicht. Ik pers zo veel en zo hard als ik kan, maar er gebeurt letterlijk niks. Wanneer de arts vertelt dat het nu wel écht gaat branden beneden, omdat het hoofdje er aan moet komen, geef ik aan dat het helemaal niet brandt. Ik weet zeker dat er ondanks al mijn inspanningen, nog niks gebeurt daar beneden en zeg dit meermaals tegen de artsen. Het lijkt wel of mijn opmerkingen niet gehoord worden of niet serieus worden genomen, want de aanmoedigingen gaan maar door. “Kom op, je kunt het! Echt!”.

Het duurt en het duurt. De arts verlaat meerdere keren de kamer om te overleggen met de gynaecoloog. Toch komt ze elke keer weer terug, met maar één advies: Persen!
Hoewel ik voel dat ik het niet lang meer volhoud, laat ik me overtuigen om de baarkruk te proberen. En daarna probeer ik staand de baby er uit te persen. En dan weer gaan mijn benen in de beugels. Helaas allemaal zonder resultaat. Na ruim twee uur geperst te hebben zonder ook maar enig resultaat, ben ik compleet uitgeput. Ik krijg weeënremmers om op adem te komen.

Ik lijk wel een koe!

De gynaecoloog wordt er bij gehaald. Het is tijd voor zwaarder geschud. Ze geeft aan dat we ‘de cupjes’ gaan proberen. Ik heb wel een vermoeden wat dat betekent en heb geen puf om door te vragen. Het bed wordt voor de helft afgekoppeld, een arm gaat ver mijn vagina in en de vacuümpomp wordt geplaatst op het hoofd van mijn dochter. “Bij een volgende perswee, ga ik je een handje helpen”, aldus de gynaecoloog. Ik geef aan dat er een perswee komt en pers met mijn allerlaatste krachten zo hard als ik kan. De gynaecoloog zet zich met één voet af tegen het bed, en trekt met haar volledige gewicht aan het hoofdje van de baby. Ik lijk verdorie wel een koe, besef ik me tijdens het persen. Maar koe of niet, helaas hebben ook ‘de cupjes’ geen enkel resultaat. We proberen het nog twee keer, en voordat ik het weet, in een fractie van een seconde, staat de kamer ineens vol met mensen.

Een (spoed-)keizersnede

“De hartslag van de baby valt weg!”, “We gaan NU over tot een spoedkeizersnede”. Veel tijd om dit te laten bezinken krijg ik niet. Met bed en al word ik de kamer uit gesjeesd. Vriend krijgt een OK-pak, ik krijg een ruggenprik, en slechts enkele minuten later hoor ik het gehuil van een baby. Mijn mooie dochter! Eindelijk is ze er.

Het is inmiddels wel 2 april, dus we zullen toch na moeten denken over originele verjaardagcadeaus !

Nadia